Vragen rekenen 3f, deel 1

Vraag 1

Een auto verbruikt 6,5 liter benzine per 100 km. Hoeveel liter benzine heb je nodig voor een rit van 450 km?


29,25 liter -> De auto verbruikt 6,5 liter per 100 km. Voor 450 km is dat 4,5 keer zoveel. 6,5 * 4,5 = 29,25 liter.

Vraag 2

Een winkel geeft 15% korting op een artikel van €200. Wat is de nieuwe prijs?


€170 -> 15% van €200 is €30. Dus, €200 - €30 = €170.

Vraag 3

Je belegt €5000 tegen een jaarlijkse rente van 4%. Hoeveel is je belegging na 1 jaar waard?


€5200 -> 4% van €5000 is €200. Dus, €5000 + €200 = €5200.

Vraag 4

Een rechthoekige tuin is 20 meter lang en 15 meter breed. Wat is de omtrek van de tuin?


70 meter -> De omtrek van een rechthoek is 2 * (lengte + breedte). Dus, 2 * (20 + 15) = 70 meter.

Vraag 5

Een artikel van €350 wordt met 20% verhoogd. Wat is de nieuwe prijs?


€420 -> 20% van €350 is €70. Dus, €350 + €70 = €420.

Vraag 6

Je werkt 45 uur per week en verdient €18 per uur. Wat is je wekelijkse loon?


€810 -> 45 uur werken tegen €18 per uur levert 45 * €18 = €810 op.

Vraag 7

Een rechthoek heeft een lengte van 8 meter en een breedte van 6 meter. Wat is de diagonaal van de rechthoek?


10 meter -> De diagonaal van een rechthoek bereken je met de stelling van Pythagoras: √(lengte² + breedte²). Dus, √(8² + 6²) = √(64 + 36) = √100 = 10 meter.

Vraag 8

Een bedrijf maakt 1500 producten per maand en verkoopt deze voor €25 per stuk. Wat is de maandelijkse omzet?


€37500 -> 1500 producten voor €25 per stuk levert 1500 * €25 = €37500 op.

Vraag 9

Een school heeft 800 leerlingen en 40 klassen. Wat is het gemiddelde aantal leerlingen per klas?


20 -> 800 leerlingen gedeeld door 40 klassen is 800 / 40 = 20 leerlingen per klas.

Vraag 10

Een winkel verhoogt de prijs van een product met 12% van €75. Wat is de nieuwe prijs?


€84 -> 12% van €75 is €9. Dus, €75 + €9 = €84.

Vraag 11

Een boekenkast is afgeprijsd met 25%. De originele prijs was €160. Wat is de nieuwe prijs?


€120 -> 25% van €160 is €40. Dus, €160 - €40 = €120.