Vragen rekenen 2f, deel 5

Vraag 1

Een fiets kost €250 en je krijgt 10% korting. Hoeveel betaal je?


€225 -> Een korting van 10% op €250 is €25. Dus, €250 - €25 = €225.

Vraag 2

Je rijdt 200 km met een auto die 6 liter benzine per 100 km verbruikt. Hoeveel liter benzine gebruik je?


12 liter -> De auto verbruikt 6 liter per 100 km, dus voor 200 km is dat 2 keer zoveel. 6 * 2 = 12 liter.

Vraag 3

Je hebt 16 appels en verdeelt ze evenredig onder 4 vrienden. Hoeveel appels krijgt elke vriend?


4 appels -> 16 appels gedeeld door 4 vrienden is 4 appels per vriend.

Vraag 4

Je koopt 5 broden voor €2,00 elk. Hoeveel betaal je in totaal?


€10,00 -> 5 broden van €2,00 kosten samen 5 * €2,00 = €10,00.

Vraag 5

Een kamer is 7 meter lang en 4 meter breed. Wat is de oppervlakte van de kamer?


28 m² -> De oppervlakte van een rechthoekige kamer is lengte * breedte. Dus, 7 * 4 = 28 m².

Vraag 6

Hoeveel kost het om 500 gram van een product te kopen als de prijs per kilo €10 is?


€5,00 -> 500 gram is de helft van een kilo. De helft van €10 is €5.

Vraag 7

Je werkt 20 uur in een week en verdient €12 per uur. Wat is je totale loon?


€240 -> 20 uur werken tegen €12 per uur levert 20 * €12 = €240 op.

Vraag 8

Je koopt een jas van €150 met 25% korting. Hoeveel kost de jas na de korting?


€112,50 -> Een korting van 25% op €150 is €37,50. Dus, €150 - €37,50 = €112,50.

Vraag 9

Als je een rechthoekig veld hebt met een lengte van 80 meter en een breedte van 40 meter, wat is dan de omtrek?


240 meter -> De omtrek van een rechthoek is 2 * (lengte + breedte). Dus, 2 * (80 + 40) = 240 meter.

Vraag 10

Hoeveel liter water is er nodig om een bad te vullen dat 180 liter kan bevatten, als het al voor een derde vol is?


120 liter -> Een derde van 180 liter is 60 liter. Dus, 180 - 60 = 120 liter nodig.

Vraag 11

Je verdeelt €300 onder 6 kinderen. Hoeveel krijgt elk kind?


€50 -> €300 gedeeld door 6 kinderen is €50 per kind.

Vraag 12

Als een zak cement 30 kg weegt en je hebt 3 zakken nodig, hoe zwaar is dat samen?


90 kg -> 3 zakken van 30 kg wegen samen 3 * 30 = 90 kg.

Vraag 13

Je hebt een kortingbon van €10. Een artikel kost €50. Hoeveel betaal je na het toepassen van de korting?


€40 -> €50 min €10 korting is €40.

Vraag 14

Een boek kost €30 en is afgeprijsd met 15%. Hoeveel kost het boek nu?


€25,50 -> Een korting van 15% op €30 is €4,50. Dus, €30 - €4,50 = €25,50.

Vraag 15

Een auto rijdt 60 km met 4 liter benzine. Hoeveel liter benzine heeft de auto nodig voor 180 km?


12 liter -> 180 km is 3 keer 60 km. Dus, de auto heeft 3 keer 4 liter nodig, wat 12 liter is.

Vraag 16

Je koopt 500 ml shampoo voor €4. Er is een aanbieding van 20% korting. Hoeveel betaal je nu?


€3,20 -> Een korting van 20% op €4 is €0,80. Dus, €4 - €0,80 = €3,20.

Vraag 17

Als je 30 km in 45 minuten fietst, wat is dan je snelheid in km/u?


40 km/u -> 45 minuten is drie kwartier. Dus, 30 km in drie kwartier betekent 40 km/u.

Vraag 18

Hoeveel vierkante meter tegels heb je nodig voor een kamer van 8m bij 5m?


40 m² -> De oppervlakte van een rechthoekige kamer is lengte * breedte. Dus, 8 * 5 = 40 m².

Vraag 19

Je moet 18% belasting betalen over een artikel dat €50 kost. Hoeveel kost het artikel inclusief belasting?


€59 -> 18% van €50 is €9. Dus, €50 + €9 = €59.

Vraag 20

Hoeveel dagen zijn er in 8 weken?


56 dagen -> 1 week heeft 7 dagen. Dus, 8 weken hebben 8 * 7 = 56 dagen.