Vragen rekenen 2f, deel 4

Vraag 1

Een tuin is 25 meter lang en 10 meter breed. Wat is de oppervlakte van de tuin?


250 m² -> De oppervlakte van een rechthoekige tuin is lengte * breedte. Dus, 25 * 10 = 250 m².

Vraag 2

Een fles frisdrank van 2 liter kost €1,80. Wat is de prijs per liter?


€0,90 -> De prijs per liter is €1,80 gedeeld door 2 liter, wat €0,90 per liter is.

Vraag 3

Je koopt 5 boeken voor €12 elk. Hoeveel betaal je in totaal?


€60 -> 5 boeken van €12 kosten samen 5 * €12 = €60.

Vraag 4

Een rechthoekig veld is 30 meter lang en 15 meter breed. Wat is de omtrek van het veld?


90 meter -> De omtrek van een rechthoek is 2 * (lengte + breedte). Dus, 2 * (30 + 15) = 90 meter.

Vraag 5

Je rijdt 200 km met een auto die 5 liter benzine per 100 km verbruikt. Hoeveel liter benzine gebruik je?


10 liter -> De auto verbruikt 5 liter per 100 km, dus voor 200 km is dat 2 keer zoveel. 5 * 2 = 10 liter.

Vraag 6

Een winkel heeft een aanbieding: 4 pakken sap voor €5,00. Wat is de prijs per pak sap?


€1,25 -> De prijs per pak sap is €5,00 gedeeld door 4, wat €1,25 per pak is.

Vraag 7

Je hebt een vierkante tuin met een zijlengte van 15 meter. Wat is de oppervlakte van de tuin?


225 m² -> De oppervlakte van een vierkante tuin is zijlengte * zijlengte. Dus, 15 * 15 = 225 m².

Vraag 8

Een trui kost €80 en is afgeprijsd met 25%. Hoeveel kost de trui nu?


€60 -> Een korting van 25% op €80 is €20. Dus, €80 - €20 = €60.

Vraag 9

Je werkt 35 uur per week en verdient €14 per uur. Wat is je wekelijkse loon?


€490 -> 35 uur werken tegen €14 per uur levert 35 * €14 = €490 op.

Vraag 10

Je hebt 40 snoepjes en verdeelt ze over 5 kinderen. Hoeveel snoepjes krijgt elk kind?


8 -> 40 snoepjes gedeeld door 5 kinderen is 8 snoepjes per kind.

Vraag 11

Een zak rijst van 4 kg kost €8. Wat is de prijs per kg?


€2 -> De prijs per kg is €8 gedeeld door 4, wat €2 per kg is.

Vraag 12

Een school heeft 14 klassen met elk 22 leerlingen. Hoeveel leerlingen zijn er in totaal?


308 -> 14 klassen van 22 leerlingen zijn samen 14 * 22 = 308 leerlingen.

Vraag 13

Je koopt 8 pakken melk voor €1,25 per pak. Hoeveel betaal je in totaal?


€10 -> 8 pakken melk van €1,25 kosten samen 8 * €1,25 = €10.

Vraag 14

Een rechthoekige kamer is 10 meter lang en 6 meter breed. Wat is de oppervlakte van de kamer?


60 m² -> De oppervlakte van een rechthoekige kamer is lengte * breedte. Dus, 10 * 6 = 60 m².

Vraag 15

Je hebt 80 euro en geeft 35 euro uit. Hoeveel euro heb je nog over?


45 -> 80 euro min 35 euro is 45 euro.

Vraag 16

Een auto rijdt 360 km in 6 uur. Wat is de gemiddelde snelheid in km/u?


60 km/u -> 360 km gedeeld door 6 uur is 60 km/u.

Vraag 17

Je koopt een pizza voor €9 en een drankje voor €2,50. Hoeveel betaal je in totaal?


€11,50 -> Een pizza van €9 plus een drankje van €2,50 kost samen €11,50.

Vraag 18

Een schooldag duurt van 8:00 uur tot 15:00 uur. Hoe lang duurt de schooldag?


7 uur -> Van 8:00 uur tot 15:00 uur is 7 uur.

Vraag 19

Je koopt een broek van €60 en een shirt van €25. Hoeveel betaal je in totaal?


€85 -> Een broek van €60 plus een shirt van €25 kost samen €85.

Vraag 20

Een fles olijfolie van 1 liter kost €4,50. Wat is de prijs per 500 ml?


€2,25 -> De prijs per 500 ml is de helft van de prijs per liter, dus €4,50 / 2 = €2,25.